Analyse CBS: Het Nederlands ondernemersklimaat in 2010
De crisis teisterde de wereld en ook onze economie. Maar hoe erg was het nou precies? En wat betekende de rampspoed in de praktijk? Wat deed het met onze welvaart? Het CBS maakte een reis langs alle relevante indicatoren en maakte een snap shot van onze economie. Het lijkt mee te vallen, maar er is reden voor bezorgdheid.
De crux van een sterke nationale economie is niet de absolute prestatie. Het oordeel of we het goed of slecht doen is alleen te geven als er ook wordt gekeken hoe andere economieën het doen. Zolang we aantrekkelijker zijn voor buitenlandse investeerders dan onze directe concurrenten, doen we het op dat punt goed. Toch is niet alles relatief. We kunnen onszelf vergelijken met onze concurrenten en krijgen dan een beeld of we ‘goed’ of ‘slecht’ reageerden op de crisis. Maar het is even zinvol om te kijken hoe we het ‘voor’ en ‘na’ doen. Alles bij elkaar rest de vraag wat levert het gecombineerde beeld op van het Nederlands ondernemingsklimaat in 2010?
Welvaart
Een belangrijke maat voor de welvaart is het BBP per capita. Achter deze statistische eenheid gaat het inkomen per hoofd van de bevolking schuil. Het maakt het vergelijken van een welvaartsniveau tussen een groot land als de VS en een ukkie als wijzelf mogelijk. Daarnaast is er nog een andere maat belangrijk. De BBP per capita per gewerkt uur. Oftewel, hoeveel verdienen we als we aan het werk zijn. Dat is een maat voor de arbeidsproductiviteit. Als je veel werkt en je bent heel productief, dan doe je het naar beide maatstaven goed. Nederlanders werken erg efficiënt (alleen de Belgen en de Amerikanen doen het fractioneel beter), maar we werken massaal in deeltijd. Bijna een derde van de werkende Nederlanders doet dat parttime. Nergens wordt gemiddeld minder uren gewerkt dan hier. De opbrengst van de Nederlandse werknemer komt uiteindelijk uit in de middenmoot (het is de som van het aantal gewerkte uren maal de productiviteit per uur).
Het feit dat er zo veel mensen in deeltijd werken betekent wel dat de participatiegraad, het percentage mensen dat meedraait in de economie, hoog is. In 2008 werkte 76,1 procent van alle mensen tussen de 16 en 65 jaar. Dat biedt perspectieven. Een economie kan groeien doordat de productiviteit stijgt, maar ook doordat mensen meer uren gaan werken. Die tweede groeifactor staat in onze economie op groen. Mensen kunnen indien gewenst zonder veel extra investeringen in bijvoorbeeld opleiding meer uren werken en op die manier de collectieve welvaart vergroten.
Kwaliteit van mensen
De doorslaggevende factor of onze economie goed draait is –uiteindelijk- de kwaliteit van de mensen. Het human capital. Dat is één van onze sterke kanten. Maar alleen een hoogopgeleide beroepsbevolking is niet genoeg. Het gaat erom wat we ermee doen. In Nederland werken relatief veel hoger opgeleiden ook in functies waar dat nodig is. De investering in hun onderwijs rendeert bovengemiddeld. Toch is dit maar een deel in de vergelijking die bepaalt of onze economie de concurrentie goed aankan met andere landen. Om dat te vergelijken wordt meestal gekeken naar de arbeidskosten per eenheid product. Landen met een hoge productiviteit kunnen zich hoge lonen permiteren, zonder dat de kosten per eenheid product zo ver stijgen dat de concurrentiepositie wordt aangetast.
De arbeidskosten per eenheid product namen in Nederland in de periode 2006-2009 toe. Daarmee zouden we een slechtere positie innemen op de concurrentielijstjes, maar doordat deze kosten ook bij bijna alle andere landen stegen is ons concurrentievermogen op dit punt niet aangetast. Wel is het zo dat in bijvoorbeeld de stijging van de arbeidskosten per eenheid product in de VS veel lager was dan gemiddeld. Zij zagen hierdoor hun concurrentiepositie wel verbeteren.
Innovatie
Groeien kunnen we ook niet alleen door meer mensen meer uren te laten draaien. Sterker nog het steeds verbeteren van de efficiëntie is noodzakelijk om economische groei te blijven realiseren. Ons kosten niveau is te hoog om met bijvoorbeeld de opkomende economieën te concurreren. Dus moeten we het hebben van nieuwe dingen. Dat is innovatie. En tegelijkertijd is dat een erkend zorgenkind van onze economie.
De Nederlandse research and development uitgaven, het deel van onze verdiensten dat we steken in onderzoek en ontwikkeling van nieuwe producten, is laag. In 2008 was het als percentage van het BBP lager dan in 2006 en in 2009 was het ook bestede harde euro’s lager dan het jaar ervoor. Dat is slecht nieuws. De Nederlandse positie op het punt van innovatie is ten opzichte van de concurrentie verder verslechterd.
Wil Nederland op termijn zijn welvaart kunnen vasthouden moet er meer geïnnoveerd worden. Het is een onderwerp dat terecht op de politieke agenda staat. Zeker omdat we de ambitie hebben om een echter kenniseconomie te worden en te blijven. Innovatie is het kenmerk daarvan. Nu is het aantal technologisch innovatieve bedrijven in Nederland redelijk stabiel gebleven tijdens de crisis, maar internationaal gezien zijn het er niet bijster veel als percentage van de gehele economie. Daarnaast is het zo dat alle bedrijven die aan R&D doen innovatief zijn. Maar andersom geldt dat niet zomaar. De meeste innovatieve bedrijven kopen hun technologie of geven andere (steeds vaker buitenlandse) bedrijven opdracht om die technologie te ontwikkelen. (Klik hier voor de special reports over innovatie.)
Kapitaal
Om te kunnen groeien heb je ook nog geld nodig. Geld om te investeren. Vooral de beschikbaarheid van financieel kapitaal -kapitaal dat wordt geïnvesteerd door partijen die vooral tot doel hebben hun investering te laten renderen- zegt iets over het ondernemersklimaat. Investeringen met een laag verwacht rendement kunnen dit geld nauwelijks aantrekken. Als het financieel kapitaal aanwezig is, dan betekent dat de mogelijkheid van toekomstige winst.
In 2009 lag de investeringsquote, de bedrijfsinvesteringen als percentage van het BBP, op hetzelfde niveau als in 2006. Nederland scoort hier zeer gemiddeld.
Durfkapitaal, het venture capital, is in Nederland op macro economische schaal maar van beperkt belang. Vaak wordt het geïnvesteerd in zeer innovatieve bedrijven en daar spelen de venture capitalists wel een doorslaggevende rol. Het aandeel durfkapitaal daalde tussen 2006 en 2009 in alle landen. Denemarken was hierop de enige uitzondering. Omdat het durfkapitaal hier maar een kleine rol speelt was het –tijdelijk- enigszins opdrogen van deze bron niet zo goed merkbaar. Andere landen, vooral de VS en Zweden, hadden hier tijdens de crisis wel last van.
Een derde belangrijke kapitaalstroom die de toekomstige groei van de economie bepaalt is de directe buitenlandse investering. Vaak duikt deze term op in zijn Engelse tegenhanger, Direct Foreign Investment, of DFI. Op onze beurt investeren wij in het buitenland. Opvallend is dat het saldo voor Nederland in 2009 positief was. Er werd dus meer geïnvesteerd in Nederland door buitenlandse partijen dan dat Nederlanders in het buitenland investeerden. In bijna alle andere jaren investeerde Nederlandse bedrijven meer in het buitenland dan dat andersom plaatsvond. De crisis laat duidelijk zien dat de totale geldstromen die voortkomen uit de directe buitenlandse investeringen wereldwijd zijn afgenomen.
Ondernemerschap
Ondernemerschap is een belangrijk element in de dynamiek van onze economie. Nieuwe bedrijven dagen bestaande uit en dwingen op die manier tot verbeteringen in efficiëntie of tot productvernieuwing. Ondernemers brengen dynamiek in de economie. En op dat punt doet onze economie het steeds beter. De ondernemersquote, het aandeel ondernemers op het totaal van de beroepsbevolking, in 2008 hoger dan in 2006. En dat past in een langlopende trend. In 1996 was een op de tien mensen ondernemer, terwijl dat nu al bijna een op de acht is.
Een belangrijke maat is het aantal startende bedrijven. Hoe hoger dat aantal is, hoe hoger de dynamiek. Starten blijkt gevoelig voor de conjunctuur. Hoe beter de algemene economische omstandigheden, hoe meer mensen de stap durven te zetten om zelf risico te dragen en een bedrijf te beginnen. Aan de andere kant staan de faillissementen. Maar ook het stoppen van een bedrijf draagt bij aan de dynamiek. De mensen en het geïnvesteerde kapitaal dat vast zat in die onderneming kunnen op een andere plek beter renderen en meer bijdragen aan de welvaart. Bijzonder is dat Nederland heel hoog scoort op de TEA-index. Dit is de maat voor aankomend en jong ondernemerschap. Van de tien in de studie van het CBS meegenomen landen scoort Nederland in 2009 de tweede plek, na Zuid Korea. Ook is de houding ten opzichte van het idee zelf ondernemer te worden verandert. Bijna 42 procent van de Nederlanders zegt het zelfstandig ondernemerschap te verkiezen boven een vaste baan. In 2007 was dat nog 35 procent. Het ondernemerschap wint aan maatschappelijk prestige en zeker onder de jongere generaties is het ondernemerschap bezig aan een forse opmars.
De rol van de overheid
De Nederlandse economie is een markteconomie. Het marktmechanisme is het ordenend principe dat leidt tot efficiëntie en een aanbod dat past bij de vraag. De overheid speelt daar een rol. Het moet ervoor zorgen dat bestaande ondernemingen niet worden bevoordeeld ten opzichte van nieuwe partijen. Dat de crisis uitzonderlijk was, blijkt wel uit de massieve staatsteun die er werd gegeven. In Nederland waren het vooral de grote financiële instellingen die massaal door de overheid moesten worden behoed voor een bankroet. Hier werd het marktmechanisme met miljarden aan de kant geschoven. Voor marktpuristen is dat een verstoring van de ordening. Het relatief gelijke speelveld dat er bestond, bestaat door de steun niet meer. Nederland daalde dan ook op dit gebied verslechteren.
De overheid speelt ook op andere manieren een belangrijke rol bij het scheppen van het ondernemersklimaat. De overheid heft belastingen. De vennootschapsbelasting is de afgelopen jaren herhaaldelijk verlaagd, zodat die nu lager is dan in 2006. Andere landen proberen hun bedrijfsleven op dezelfde manier te plezieren. Nederland verlaagde de vennootschapbelasting echter sneller dan de meeste landen om ons heen. Het nettoeffect is dat we stegen in die ranglijstjes. Het belastingklimaat is voor buitenlandse bedrijven een factor in de beslissing of ze willen investeren in Nederland of bijvoorbeeld toch maar liever een fabriek in Duitsland neer zetten.
Tot slot is de voorspelbaarheid van de overheid belangrijk voor het ondernemersklimaat. Als een overheid betrouwbaar is en geen onverwachte wetswijzigingen doorvoert betekent dat een stabiele omgeving voor de investeringen. Ten opzichte van 2006 is de Nederlandse overheid iets slechter gaan presteren. Desondanks behield de staat zijn positie in de subtop, na erkend betrouwbare overheden als die in Scandinavië en Australië, vast te houden.
De macro economie
Voor het ondernemersklimaat zijn ook abstracte grootheden als bijvoorbeeld de inflatie van belang. Tijdens de crisis daalde de inflatie hard, maar Nederland bleef een situatie van deflatie bespaard. Andere landen, zoals Japan, kampen al tijden met het probleem van de dalende prijzen. Hierdoor worden aankopen zolang mogelijk uitgesteld –de prijs daalt immers en alleen een volslagen idioot wacht niet even als het kan, toch?- met het gevolg dat economische groei bijna onmogelijk is.
De Nederlandse overheidsfinanciën waren in 2009 negatief. Dat terwijl in 2006 nog een klein overschot was op de begroting. Naast de miljarden die in de financiële sector werden gepompt, was vooral de krimpende economie een probleem. Hierdoor vielen de belastingopbrengsten tegen. Het nettoresultaat is dat de staatschuld is opgelopen van 47,4 procent van het BBP tot 60,9 procent. Dit is de reden dat het huidige kabinet inzet op omvangrijke bezuinigingen.
Een andere belangrijke macro economische factor is de openheid van de economie. Dit zegt vooral iets over het belang van de handel met het buitenland. Dat doen we veel. In 2009 verhandelden we bijna 130 procent van het BBP. Dat was een jaar eerder, aan het begin van de crisis zelfs bijna 145 procent, Ter vergelijking het gemiddelde voor de 27 EU-lidstaten is dat iets meer dan 40 procent. Maar als Nederland uit dat cijfer wordt gelicht, dan zakt het saldo al naar iets meer dan 20 procent. Met al die handel wordt er veel verdiend, onze handelsbalans is constant positief, maar we zijn door de enorme omvang wel gevoelig voor de mondiale conjunctuur.
Op het gebied van werkgelegenheid doet onze economie het uitzonderlijk goed. In 2009 was de werkloosheid nog steeds lager dan in het laatste volledig normale jaar voor de crisis. Het grote aantal deeltijdwerkers is in dit opzicht een zegen. Die hoge werkgelegenheid maakt de Nederlandse economie minder gevoelig voor een crisis dan een land dat voorafgaand aan de ellende al een relatief hoge werkloosheid kent.
Infrastructuur
Niet onbelangrijk voor het ondernemersklimaat in een land is de kwaliteit van de infrastructuur. Als het vervoer snel efficiënt en tegen lage kosten kan, dan is dat een belangrijke driver voor economische groei. Een goede infrastructuur verhoogt het rendement op investeringen en vergroot daarmee de kans dat zo’n investering ook daadwerkelijk plaatsvindt. Maar het begrip infrastructuur is breder dan allen wegen. Ook de aanwezigheid van de ICT-netwerken hoort hierbij. De kwaliteit van de infrastructuur kan met een beetje goede wil worden afgelezen aan de kosten die samenhangen rondom het gebruik van kantoorruimte. Die is wel gevoelig voor de conjunctuur, maar hier biedt de internationale vergelijking houvast. Waar bijvoorbeeld de duurste kantoorlocatie ter wereld, het Londense West End, door de crisis in prijs halveerde wist Amsterdam de prijsdaling te beperken en steeg in de ranglijstjes als aantrekkelijke vestigingsplaats.
Gemengd beeld
Wat overblijft is een diffuus beeld. Op sommige punten scoort onze economie slecht. De bedrijfsinvesteringen blijven achter, de innovativiteit laat te wensen over, de R&D-investeringen zijn internationaal gezien te laag. Maar daar staat tegenover dat het ondernemerschap aan kracht wint, dat we goed zijn in net inschakelen van onze hoogopgeleide mensen, dat we een open economie hebben zodat we bovenmatig profiteren van de oplevende wereldhandel, en dat we een reservoir hebben van goed opgeleidde mensen die indien nodig en gewenst in staat zijn om door meer uren te gaan werken de welvaart te helpen te verhogen.




